Zoeken
  • Lieven Migerode

Geloof jij nog in liefde?


Ik merk dat ik hoopvol ben voor de liefde. Ik merk dat ik geloof in liefde. Daarom schreef ik een hoopvol boek. Een boek om de hoop bedoeld om die hoop zelfs te vergroten. Een boek dat je meeneemt op weg naar hoop. Een deel is ook protest dus tegen hopeloosheid, omdat er soms teveel twijfel is of liefde wel mogelijk is. Protest tegen een soort pessimisme omtrent de liefde. Alsof het niet kan. Die heeft o.a. met de volgende vraag te maken:

Geloof jij nog in de liefde?!

Ook dit is weer een vraag die er geen is, meer een mening, bijna een beschuldiging van optimisme.

De ‘vraag’ waait mij van twee kanten tegemoet.

Eén indicatie voor pessimisme is wat verschijnt in de populaire pers. Ik merk dat pessimisme ook wanneer journalisten ( er zijn uitzonderingen hoor) vragen om commentaar te geven op een gebeurtenis (‘BV gaat vreemd’), of om mijn mening over liefde en relaties gevraagd wordt. Het overgrote deel van de vragen gaat over mislopen, meer dan mij lief is, stelt de journalist provocatieve vragen zoals: is liefde wel duurzaam mogelijk nu 2/3 van de koppels die trouwen gaan scheiden?

Hier moet mij een kleine terzijde van het hart. Als je het nakijkt dan zijn inderdaad, in het jaar 2014, 36.000 huwelijken gesloten in België en werden er 24.000 echtscheidingen uitgesproken. Het ene getal gedeeld door het andere maal honderd inderdaad 66%.

Weinigen lijken er bij stil te staan dat dit appelen en peren zijn. Al wie trouwt is inderdaad dat jaar getrouwd, dat is een cijfer per jaar. Wie ging scheiden komt uiteraard uit een breed scala van jaren. Die 2/3 slaat dus nergens op. Die vertelt ons niets, dit is een ongeoorloofde deling. Verder weten we met deze cijfers, ook niets over samenwoners. Stel dat er in vorige decennia nog meer getrouwd werd, dus dat een groter % van de bevolking wettelijk huwde. Dan is het normaal dat deze grotere cohort hogere echtscheidingscijfers geeft in het heden. In 1970 waren er bijvoorbeeld 70K huwelijken, daarvan zijn er ook nog die gaan scheiden na al die jaren. Die zitten dan mee in het cijfer van 2014. Evenals de cohort van 1990 die met 63 K waren.

We hebben evenwel geen statistiek nodig om te merken dat relaties kunnen eindigen, dat de liefde kan voorbij gaan. Mijn kleine terzijde wil dus het licht van de zon niet ontkennen. Alleen het negatieve perspectief van waaruit vragen gesteld worden aankaarten, dat wil ik wel. Al mag het zo zijn dat je niet gelooft in de liefde. Dat is toegelaten, mogelijk heb je daar in je eigen leven goede redenen voor. Deze statistiek is niet valabel om die te ondersteunen, dat wil ik zeggen.

Dit gebruik van statistiek verbergt nog een andere redeneerfout. Ik merk bij patiënten, en ook bij vrienden en kennissen, dat koppels soms een tweede huwelijk aangaan met elkaar. Sommigen doen dat zelfs letterlijk zonder eerst te scheiden. Ik ken ook zowel bij vrienden, kennissen en familie als bij cliënten mensen die behoorlijk gelukkig geweest zijn in hun relatie en toch in een latere periode uit elkaar gingen. Scheiden wil niet zeggen dat je de liefde niet ervaren hebt. De grotere mogelijkheid tot scheiden wil wel zeggen dat wie beslist bij elkaar te blijven een grotere kans maakt ‘tevreden’ te zijn. Dat volgt dan weer logisch uit de grotere vrijheid om een relatie op te breken. Deze redenering zegt dat nu minder mensen in een ongelukkige relatie blijven zitten dan een paar decennia geleden.

Zo merk ik dat ik ondanks alles blijf geloven in de liefde, ‘la possibilité d’une île’. Een eiland waar je graag gezien wordt, en graag ziet. Een plaats om jezelf te zijn en verbonden te zijn. De ervaring niet alleen te zijn op de wereld.

Blijkbaar straal ik dat uit, dat ik geloof in de liefde. Ondanks mijn vak. Dat vindt meer dan een persoon verwonderlijk. Dat is het tweede perspectief waaruit die vraag mij bereikt: ‘Je ziet toch zoveel miserie en zoveel mensen die elkaar niet vinden, hoe blijf je in de liefde geloven?’. In sommige opzichten treft deze vraag mij nu pas. Ja, hoe kan dat eigenlijk. Ik heb mij die vraag niet zo ernstig gesteld. Ik ben altijd uitgegaan van David Bowie’s soul Love: ‘all I have is my love of love’.

Ik merk die liefde voor de liefde ook door wat er door mij heen gaat als ik om mij heen liefde zie. Dat was ook zo bij Trees en Mark. Trees en Mark kwamen vorig jaar bij mij langs voor relatietherapie.

Je hebt zo van die koppels. De afstand is immens, de verzuring en de bitterheid tastbaar. In de wachtzaal zitten ze elk aan hun kant. Zo ver mogelijk van elkaar. De spanning is te snijden als ik hen ga ophalen. Dat halen is trouwens altijd mijn eerste ‘meting’ van het koppel. Ook later nog, als ik hen beter ken, hoe ze zitten, wat ze uitstralen. Het helpt om dat aanvoelen even te verkennen en daar op in te gaan, zodat het gesprek niet te hard gekleurd wordt door een tijdelijke storm.

Dat even meten van elkaar doe je trouwens thuis ook beter. Ik hoop dat je dat doet als je vraagt, hoe was je dag. Over die thermometer kan je lezen in het boek.

Marc en Trees dus. Midvijftigers, 30 jaar samen, vier kinderen, allemaal ongeveer het huis uit. Trees komt hard binnen. Zij heeft een heel expressief gezicht, dat zal ik later besluiten. Nu bij de eerste ontmoeting ben ik vooral onder de indruk van de bitterheid, de hardheid en kwade toon van haar stem. Ook als ze tegen mij spreekt, mogelijk altijd als ze spreekt. Een verbitterd mens misschien? Marc is wat sjofeler, minder verzorgd en torst een paar kilootjes teveel. Zijn buik en zijn gelaat doen vermoeden dat hij wel een biertje lust. Hij kijkt weg. Als hij spreekt is het verdedigend, ingehouden scherp, eerder met steken, impliciet. Zij roept en vertelt een verhaal van jaren afstand, van stilzwijgen, van neerbuigende kritiek op hem. Boosheid om zijn stilzwijgen.

Met enige moeite kan ik het gesprek wat sturen. Telkens weer barst zij los. Hij gaat steeds meer zwijgen en wegkijken. Ik dring aan. Ik voer de strijd die Whitaker ons leerde, de ‘battle for structure’. Ik wil weten wat hun hoop is, welke hoop hen bij mij brengt. Dat is de richting van mijn strijd om de leiding.

De moeite die ik moest doen om ruimte te maken voor de vraag over hoop bespaar ik jullie.

Ik volsta met te zeggen dat het niet makkelijk was. Dat ik onderweg getwijfeld heb of we tot bij de hoop zouden geraken. Mark en ook Trees geven aan dat ze hier zijn omwille van de laatste hoop. Hoop tegen beter weten in, dat er nog iets mogelijk zou zijn tussen hen, hoop dat ze minder moeten lijden, hoop dat ze wat erkenning vinden, hoop op een relatie met elkaar, ook al lijkt hen dat, en mij erbij bijna onvoorstelbaar.

Ik aanvaard die taak. Omdat ze het alle twee willen, omdat ze allebei hier zijn, ondanks eerder afgebroken therapieën, ondanks de bitterheid en de vijandigheid. Ik bedenk meer dan ik voel, dat er mogelijk nog een verbinding is tussen hen. Ik spreek mezelf moed in dat ik weinig verkeerd kan doen. Deze relatie lijkt terminaal. All I have is my love of love. En we gaan van start.

We volgen een hobbelig pad. Bezaaid met wantrouwen en nieuwe kwetsuren. Met uitslaande stemmen met scherpe woorden. Met wantrouwen over geld en vreemdgaan. Met afhaken, van Mark uiteraard, en terugkomen maanden later. Met uitspraken over ‘beter scheiden’ vanwege Trees. Die plaats ik binnen mijn mandaat, als een onderdeel van hun verziekte verhouding. Dat leg ik ook uit. Nu ik de taak aanvaard heb om hen te helpen zoeken naar liefde en naar elkaar, kan ik daar niet mee stoppen als zij midden in een gesprek spreken over uit elkaar gaan. Dat is als tijdens de wedstrijd van het veld stappen omdat je vreest niet meer te kunnen winnen. Zij begrijpen dat, ze begrijpen ook dat ik mijn mandaat inlever als ze rustig naar het gesprek komen en openen met: ik heb nagedacht ik wil hier mee stoppen.

Ik leer dat het nog erger is dan ik hier bij mij kan voorstellen. Ze spreken al 5 jaar geen woord meer met elkaar. Letterlijk geen woord. Ook geen goedemorgen of goede avond vraag ik verwonderd. Geen geef mij eens het zout aub. Nee, zeggen ze mij. Die aub zou er trouwens niet bij zijn. Ze slapen al 10 jaar op een ander verdiep. Zoals dat gaat was er in dit tijd wel eens een rare uitzondering met lichamelijke intimiteit, out of the blue. Met meer dan de blues achteraf.

We werken hard en we krijgen hun dans te pakken. Uiteraard gaat het hier om een extreme vorm van de aanklamper- terugtrekker dans. Om Fons Vansteenwegen te eren de dans van de dove en de zeur. Sue Johnson en mijn verdiepende ervaring met EFT helpen mij om ‘on track’ te blijven en de zevende sessie zitten ze aan dezelfde kant van de wachtzaal als ik ze ga halen. Ik merk dat in stilte op. De dans is niet aanwezig in het gesprek. Zij, Trees heeft een verbazend zacht gezicht, ik had niet gedacht dat iemand zijn ‘wezen’ op zo korte tijd zo anders kon worden. Ik stel hem vragen, zij zwijgt ondertussen. Dat is zo een enorme evolutie, zwijgen, dat kon ze eerst niet. Hem laten spreken zonder boze gezichten, gezucht, gekreun, en boze onderbrekingen in de trant van ‘mag ik ook iets zeggen misschien’. We hebben vorige sessie al het vernietigen van zijn spreken hier kunnen ombuigen. Dat ging zo. Blijkt dat zij met elkaar nog altijd geen woord uitwisselen tussendoor. Zij poogt wel, hij antwoordt niet. Niets. Zij valt hem hier aan dat hij hier wel spreekt, dat hij hier een vals beeld ophangt, dat hij hier de schone komt spelen, dat hij hier dingen zegt, vaak ook dingen die gaan over een verlangen om een band te hebben met haar, over wegduiken bij al het geschut dat zij bovenhaalt, over willen spreken en niet durven. Zij hoort de weg van de hoop, een weg die ik haar herinner. Dat het ook mogelijk is dat zijn spreken hier een teken is dat wij hier samen met drie voldoende veiligheid kunnen bouwen, en dat dat hun thuis met twee nog niet lukt. Dat hij mogelijk banger is thuis dan hier. Dat het ook in de richting van haar hoop ligt dat hij gaat spreken, zij het voor nu, alleen hier, dat zij al iets kan horen, dat er dan al iets van verbinding is. En zij gaat mee met de hoop, en laat toe dat het spreken hier geen deel wordt van hun verwijten cyclus, dat dit spreken in een speciale bubbel zit, in de therapie waar ze met mijn hulp zoeken tegen beter weten in.

Ik kan hem dus vragen stellen. Zo leren we in een vorig gesprek dat hun herinneringen niet gelijk lopen. In haar herinnering zijn dat ze wat ‘en stoemelings’ als vrienden een koppel geworden. In zijn herinnering was hij smoorverliefd. Waar ze het wel over eens zijn is dat zij van in het begin kritiek op hem had. Hem verbeteren noemt zij dat. Oei, zeg ik. Dat klopt dan niet met de liefde. Frater Livinus komt op het toneel. Een deel van mij dat soms begint te preken, meestal over liefde. Zeker na het schrijven van het boek is Frater Livinus nog beter uit zijn woorden geraakt. En besef ik terwijl ik dit schrijf, mogelijk is Frater Livinus ook wel de auteur of de vader van dit boek. Zij hoort mij, mogelijk voelt ze zich ondertussen voldoende veilig dat ze deze nieuwe gedachte kan toelaten. Ik onthoud voor later dar ze zegt uit een gezin te komen waar het goede niet diende gezegd, dat was vanzelfsprekend. Mark vertelt dat ook die kritiek in het hele begin van de relatie hem raakte, dat hij toen al overtuigd raakte niet goed genoeg te zijn voor haar. Dat zij eigenlijk op zoek was naar een prins op het witte paard en dat hij dat niet kan zijn. Dat wist hij toen al, dat hij zijn gebreken heeft. Vandaar gaan we verder in op wat Mark te vertellen heeft over zijn binnenwereld. Ergens in zijn verhaal zegt hij deze zin: ‘ ik heb vorige week een paar keer proberen de moed te verzamelen om een gesprek te beginnen’.

Vanuit mijn ooghoek zie ik Trees reageren. Ik besluit haar te loven voor de stille manier waarop ze dit doet. Al kan ik zien dat hij het wel opgemerkt heeft. En kan ik invoelen dat de kleine opening die er hier is dreigt dicht te gaan. Ik loof haar voor haar zwijgen, dat dit moeilijk voor haar moet zijn. Omdat ik vanuit ervaring wel ongeveer kan raden wat ze zeggen wil. En ik vul in terwijl ik naar haar kijk en zonder woorden toestemming en bevestiging vraag. Ik vertel haar dat het in deze dans vanzelfsprekend is dat zij nu zin heeft om op een kwade aanvallende manier te zeggen, “ daar zie ik dan wel niets van, dat is makkelijk om dat hier te vertellen’. Zij beaamt mijn woorden, zij bevestigt dat dit is wat door haar heen ging, en dat ze inhield, alleen non-verbaal kwam het even kijken. Ik loof haar voor de ruimte die ze geeft aan de hoop, de hoop om elkaar te vinden. Ik leg uit wat mijn positie in deze is. En dan spreek ik hen beiden aan: ‘ dat het in het licht van onze hoop voor alle drie spijtig en pijnlijk kan zijn dat dit ‘moed verzamelen om een gesprek te beginnen’ niet zichtbaar is. Het is uiteraard spijtig voor Trees, als dat zichtbaar zou zijn, zou zij mogelijk merken dat hij haar wel de moeite waard vindt. Dat heb ik een vorig gesprek menen te begrijpen tussen de lijnen, dat dit haar pijn is, hij wil niet bij mij zijn. In het bijzonder omdat hij nooit terug is gekeerd naar het echtelijke bed waar zij hem heeft uitgezet, die nacht 10 jaar geleden. Het is ook spijtig voor jou Mark zeg ik, omdat ik je zin hoor, dat je moed

verzamelt om te spreken. Moed vertel ik hem is een mooi gekozen woord. Waarschijnlijk zeer terecht. Moed is een woord dat past bij het confronteren van een angst. Moed is ondanks angst jezelf oppeppen om iets toch te doen, om de confrontatie met de angst aan te gaan. De angst toch niet goed te kunnen doen, de angst dat als hij spreekt hij de deur openzet voor nog meer kritiek. En het is uiteraard ook en mogelijk in het bijzonder pijnlijk voor jullie relatie dat de moed om te spreken van Mark niet zichtbaar is, dat zou de hoop kunnen oppoken, dat zou jullie kracht kunnen geven om verder te zoeken. Zij zijn stil en ze laten het binnen sijpelen. Dat lijkt mij althans. Trees lijkt minder de nood te tonen om nu aan te vallen, om zijn toenadering, die zit in het vertellen van het verzamelen van de moed hier teniet te moeten doen uit angst dat dit haar kwetsbaar maakt. Dat begrijp ik ook dat dit erg dapper is van haar. En dat zeg ik haar ook.

Ik denk aan een enactment. En vraag mij af of ik hen met elkaar zou durven laten spreken. Ik stel mezelf wat gerust door het hele gebeuren rond deze zin nog eens naar hen beiden te herhalen. Ik doe dat met een zachte en een warme stem. Ik kijk hen goed in de ogen en poog te peilen of zij verzachten, of hun gekwetstheid niet te veel op de voorgrond komt, of ik iets zacht in hun ogen bespeur.

Zoals ik de laatste tijd steeds meer merk is therapie ook een lichamelijk gebeuren. Het ‘horen’ van wat het lichaam zegt wordt voor mij steeds belangrijker. Dat levert mij als opleider wel eens een probleem op. Ik kan dan wel zeggen dat ik met empathische reflecties, empathische interpretaties en verdiepend werk op het moment dat ik ‘zie/voel’, dat die zachtere emotie al in het lichaam aanwezig is, doordat er een spier vertrekt onder iemand zijn oog, of door een glansverschil in de ogen. Hoe ik dat anderen kan leren, daar ben ik nog niet helemaal uit. Dat is voor deze lezing ook niet belangrijk. Ik meen dus te zien/voelen dat we het risico kunnen nemen voor een verkennende enactment. Ik ben met name nieuwsgierig of zij elkaar hier in hun ziel kunnen aanraken. Of dat soort spreken tussen Trees en Mark al, of nog mogelijk is. Een verkennende enactment is dus als een vraag, een vraag aan de ziel, een vraag die beantwoord wordt met het lichaam, met emoties, met de binnenkant. Het is een vraag aan het voorbewuste, aan het limbische systeem. Het opzetten van de enactment neemt zeker nog tien minuten in beslag, waar bij ik alterneer tussen het peilen van de bereidheid en de bereikbaarheid van Trees en het peilen en intensifiëren van de moed van Mark.

Pas op het moment dat ik hen vraag elkaar wat te helpen: hij door zijn stoel wat naar haar te draaien, zij door te pogen hem zonder woorden aan te geven zij bereid is te pogen luisteren, valt mijn euro! Deze mensen kijken ook al jaren niet meer naar elkaar. Ik vraag of dat zo is. Zij beamen, dat ze dat niet meer doen. We spreken kort over de goede redenen die zij hebben. Hij vreest dat hij altijd haat en afkeuring zal lezen in haar ogen, zij vreest dat ze enkel desinteresse en leegte zal ontmoeten.

Dat geeft mij dan weer hoop en moed. Deze mensen vinden nog steeds wat de ander van hen denkt kei belangrijk, dus mogelijk vinden zij elkaar nog steeds erg belangrijk. Mogelijk is de wederzijdsheid van de liefde hier nog aanwezig. De wederzijdsheid waarbij wij allen niet zomaar van iemand willen houden of door gelijk wie willen bemind worden: nee, ons aller verlangen is om bemind te worden door iemand die wij beminnen. Ik laat mij niet afleiden zoals ik jullie nu mogelijk afleid. Ik blijf op het spoor, ensceneer een enactment. Een verkennende enactment, een enactment als een diepe vraag. En ik geef hun beiden de geruststelling dat spreken en kijken mogelijk een te groot risico is voor elk van hen. Dat ze dus mogelijk beter alleen eens terzijde glimpen om te zien of de ander aanwezig is, of de ander bereid en bereikbaar is. Of er betrokkenheid zou kunnen zijn op elkaar. Dat ze dus niet hoeven echt te kijken. Dat stelt hen beiden duidelijk gerust. Ik zie hen beiden wat meer ontspannen.

Dan vraag ik Mark of hij de kracht zou kunnen vinden om hier, nu tegen Trees te zeggen dat hij ‘soms de moed poogt te verzamelen om iets tegen haar te zeggen’. Hij zegt ja en slaagt er na een paar minuten in om met een beetje een genepen stem tegen haar te spreken en iets te zeggen in de aard van ‘ soms poog ik mijn moed te verzamelen om iets tegen je te zeggen’. Zij zit stil, ik zie weinig bewegen in haar gelaat. Op zich is dat al geweldig. Zij voelt blijkbaar niet de onweerstaanbare impuls om agressief en beschuldigend uit te halen.

Ik loof hen beiden uitgebreid voor de moed die ze net getoond hebben. Hij om haar aan te spreken en iets over zijn binnenkant te vertellen, zij om te pogen dat binnen te laten. Daarna vraag ik hem hoe dat voelde om tegen haar te spreken. ‘ Spannend’ zegt hij, ik dacht niet dat ik het zou kunnen. En hoe is het nu vraag ik vervolgens: ‘de spanning zakt wat, ik ben nog wel op mijn hoede voor wat nu gaat volgen’. Ik begrijp en valideer dat uiteraard. Wat een geweldige stap dit is, na jaren iets tegen haar te durven zeggen, nog wel over iets kwetsbaars, moed en niet durven. Wat op zich weer moedig is. Ik vraag Trees hoe her voor haar voelde om Mark dit tegen haar te horen zeggen. Haar gelaat blijft zacht, als zij iets of wat oppervlakkig, en niet echt met een warme stem, zegt: ‘ het was wel goed’.

Ineens voel ik in mijn lijf een snik. Als ze dat zegt. Alsof er impliciet iets van emotie inzit. Ik zeg haar : ‘Trees, wat fijn dat het goed voor je was, ik voelde in mij op het moment dat je dat zei, de neiging om te beginnen wenen ( ik ween wel eens van ontroering in therapie), ja zegt ze en nu breekt haar gezicht en ‘ik ook’ snikt ze, en een paar tranen lopen in stilte van haar wang.

Ik zie dat hij dat ziet. En we besluiten te besluiten. Ik voel dat dit een goede sessie was. Eigenlijk een sessie over één zin en zijn diepe lagen. Ik ben uiteraard bezorgd over hetgeen zij met deze kwetsbaarheid zullen aanvangen en ik spreek nog even met hen over kwetsbaarheid en hoe een mens open kan liggen en gevoelig kan zijn na een gebeuren als dit.

De volgende sessie doen we weer een gelijkaardige enactment. Om een of andere reden is die niet zo diep. Vorige keer ‘kon ik letterlijk een vonk voelen overslaan’ zegt Trees.

Later denk ik aan dit boek, aan deze blog ook. En aan de vraag of ik nog in liefde geloof ondanks het voortdurende contact met koppels die lelijk tegen elkaar doen. En dan denk ik ja, de Marken en Trezen van deze wereld die mij laten zien dat er liefde kan voortleven onder brokstukken en pijn, samen met het heftige verlangen om liefde terug te vinden als zij verloren lijkt, maakt het vanzelfsprekend dat ik het geloof in de liefde niet verlies ondanks mijn werk. Het is eerder zo dat ik steeds meer in het de levende liefde geloof omwille van Trees en Mark en andere toevallige partners die mij soms jaren later aanspreken of een bericht sturen: ‘dank zij jou zijn we nog bij elkaar en weer gelukkig’.

Geloof ik nog in de liefde? Ja dus. Nog sterker ik denk steeds meer dat we voor liefde gebouwd zijn. Dat we voor liefde geboren zijn.


0 keer bekeken

Lieven Migerode

  • White Facebook Icon
  • White Twitter Icon

© 2016 by LIeven Migerode