Zoeken
  • Lieven Migerode

Dikke Bertha


Mogelijk herinnert u zich de tijd waarin Dikke Bertha een kanon was, of ook een spel. Een tijd waarin niet alle woorden politiek correct moesten zijn. Een tijd waar meer dan één Dikke Bertha of Dikke Marcel rondliep. Mensen die zo genoemd werden om onderscheid te maken met de andere Marcellen of Bertha’s. In zekere zin zorgde dit herkenbaar ‘noemen’ voor een gevaar op kwetsen, in andere zin was dit noemen veel meer in onderling contact, menselijker, meer nabij, vaak warm. Nabijer dan Marcel Peeters. Terwijl ‘Marcel van Peeters’ dan weer meer verbonden was met de genealogie. Mogelijk was in dat tijdsgewricht en cultureel het vel ook dikker, zodat dit noemen minder kwetsend was. Wie weet?

Je roepnaam hing dus soms vast aan een eigenaardigheid, iets wat je bijzonder maakte, in de zin van niet gemiddeld, niet doorsnee. Vaak was dat iets lichamelijk: Kromme Lomme, Smalle Jan, Lange Frans, Witte… Waarbij Witte ook toen zelden als kwetsend werd beleefd, minder toch dan Rosse. Of Peter Van Petegem, ‘de Zwarte van Brakel’.

Waarschijnlijk is het wel best dat dit noemen niet meer getolereerd wordt. Al was het maar omdat, ook toen, je niet kon uitsluiten dat de betreffende persoon zich gekwetst voelde door de roepnaam. Als je nu last hebt van je gegeven officiële voornaam kan je deze nu in vele gemeenten gratis laten veranderen. Voor je roepnaam hing je toen, en ook nu, af van de groep die je aldus noemt. Zonder die kenmerkende namen op naar neutraal en minder kans op kwetsen. En ook meer afstand. Minder persoonlijk. Minder verbonden. En allemaal gelijker. Allemaal Mens. Niet genoemd naar iets wat eigenaardig aan je is. Niet genoemd naar wat je onderscheid.

Daar loopt dan evenwel een gevaar in de liefde, als je eigenheid, ook je eigenaardigheid verloren gaat. Als die niet wordt gekend, en erkend.

‘Ge moet u dat niet zo hard aantrekken’, zegt de ene partner, ik bedoel dat toch niet zo. ‘Hoe kan het dat jij dat niet (aan)voelt, wat voor mens ben jij?’ zegt de andere partner. Dat is het conflict. De eerste poogt vaak de tweede te troosten, de tweede voelt zich niet begrepen en valt de eigen-aardigheid van de ander aan om zich te verdedigen.

Frie: ‘ zo erg is dat niet dat je eens geen erectie krijgt, ik vind het niet erg trek het je niet zo aan’.

Jan: ‘je begrijpt er niets van, je verstaat ook niets van, ja verneder mij maar meer’

Jan: ‘ allee zo erg is dat toch niet dat je ‘vriendinnen’ je niet meegevraagd hebben, je hebt hen niet eens allemaal graag’

Frie: ‘ je begrijpt er niets van, typisch mannelijk, jullie hebben zo geen intieme vriendschappen he, jij voelt dat niet aan’.

Deze gesprekken gaan vaak over verschil in gevoeligheid. Wat de één raakt, kwetst de ander niet evenzo. Het is zelfs een beetje onbegrijpelijk dat het er zo inhakt voor de ander.

Niet zelden betreft het een verschil in gevoeligheid per se. Immers niet alle mensen ervaren de wereld even intens. Ieder heeft zijn ‘raakbaarheid’. Zijn soort vel. Sommigen hebben een dikker en anderen hebben een dunner vel.

Het betreft dan niet het onderwerp (bang zijn van muizen bijvoorbeeld) maar in het algemeen gevoeliger zijn voor angst. Dat verschil hoort vaak tot onze eigen-aardigheid. Tot de min of meer gegeven eigen-aard. Tot onze ‘ineengevezenheid’. Accepteren dat we verschillend zijn is noodzakelijk. Om elkaar echt te kunnen aanvaarden met dat verschil er bij. Dat hoort dan bij het ‘leren kennen’ van de liefde.

Ik heb dat onder andere geleerd via Dikke Bertha. Het verhaal kan het leren doorgeven.

Deze keer bedoel ik het spel. Wij speelden het vaak in de gemeentelijk zandbak in de jeugdbeweging. Het is een groepsspel tussen twee lijnen, je moet tussen de twee lijnen overlopen, in het midden staat bij het begin van het spel iemand die je moet vangen: dat is de Dikke Bertha. De Dikke Bertha poogt de overlopers tegen te houden, vast te houden en van de grond te heffen tot geen enkel lichaamsdeel nog de bodem raakt. Dan wordt die persoon ook Dikke Bertha. Het spel eindigt met één winnaar, degene die laatst overblijft.

In de jaren zestig was onze jeugdbeweging nog niet ‘gemengd’, jongens en meisjes hielden apart bijeenkomsten. In onze jongensversie van Dikke Bertha werd in de benen gedoken en werden de overlopers wel eens tegen de grond gesmakt.

Een maal per maand, tijdens de bevrijdende begin zeventiger jaren van vorige eeuw, hielden we ‘gemengde’ vergaderingen. Jongens en meisjes samen. Vooral als jonge adolescenten vonden we dan zeker Dikke Bertha fijn. Een kans om eens een meisje vast te grabbelen. Al was dat een beetje ingewikkeld omdat niet alles mocht. Alleen er bleek soms een haar in de boter. Wij, de jongens, moesten leren dat de meisjes ‘auw, je doet mij pijn’ riepen, bij het vastgrijpen, opheffen of neergooien (we speelden meestal Dikke Bertha in de grote gemeentelijke zandbak, dat viel zacht). Als we hen niet geloofden konden ze soms ook blauwe plekken tonen. Dat vond ik eerst vreemd, ik deed toch niets anders: vastpakken, neergooien, opheffen? De jongens riepen niet auw, of indien ze dat wel deden werd er mee gelachen en vertoonden ze zeker geen blauwe plekken. Ik leerde dat dezelfde actie bij meisjes anders terecht kwam, niet alleen zegden ze ‘auw’, die auw werd ook ‘werkelijk’ en helemaal overtuigend door de blauwe plek. Meisjes lichamen blutsten dus anders dan jongenslijven. Mensen zijn niet allemaal even gevoelig. Het Dikke Bertha verhaal vertel ik wel eens aan mijn koppels om hen te helpen bij het op zoek gaan naar aanvaarding.

Iedereen eigen-aardig. Ieder heeft zijn eigen-aard. Ieder is op zijn manier aardig/lief.

We kunnen als mens op zoveel vlakken een Gausscurve volgen. Niet alleen qua gevoeligheid, of gevoeligheid aan angst. Ook bijvoorbeeld wat betreft het vermogen om de tijd in te schatten, of de consequenties van onze acties te zien. Of snel te kunnen opruimen, of orde te zien in de chaos, of qua impulsiviteit en frontale sturing. We zijn allen verschillend samengesteld qua talent. Soms speelt dat op in een relatie. Soms gaat dat ergeren. Als het evenwel tot de ‘aard’ behoort, tot de ‘ineengevezenheid’, dan zal lief zijn, ‘aardig’ zijn voor dat verschil essentieel zijn om met elkaar te kunnen leven. In de liefde komt het er dan op aan die eigenheid ook te beleven als ‘aardig’, als ‘lief’ als ‘liefbaar’. Dan houden we op elkaar te verbeteren. Dan helpt het graag zien om deze te aanvaarden. Iedereen op zijn manier aardig.

Het heeft dan geen zin om tegen de meisjes te zeggen dat ze niet moeten blauw worden van vastgrijpen, opheffen of even vallen in de zandbak, omdat wij dat niet doen. Het heeft geen zin de jongens kwade bedoelingen toe te schrijven: merken dat zij niet blauw worden van de dezelfde grijp/smak/hef en dat aanvaarden leert samen-spelen.

Zolang je dat kan: elkaar eigen-aardig vinden is de liefde present.


373 keer bekeken

Lieven Migerode

  • White Facebook Icon
  • White Twitter Icon

© 2016 by LIeven Migerode