top of page

Blog

Onzichtbaar kwetsbaar

21 sep
10 minuten om te lezen


Kwetsbaarheid begint niet pas wanneer het leven hapert. Niet pas wanneer we ziek worden, uitgeput raken, vastlopen, of wanneer het lichaam of het mentale weigert nog langer mee te doen met wat wij ervan vragen. Kwetsbaarheid begint eerder. Veel eerder. Zij begint met het leven zelf. Nog vóór er een “ik” is die zichzelf kan sturen, kiezen, verbeteren of beschermen, is er afhankelijkheid. Van eicel en zaadcel. Van toeval en biologie. Van een baarmoeder. Van het lichaam van een moeder. Van een omgeving die via haar lichaam al mee aanwezig is. In de zwangerschap en babytijd wordt bijna schaamteloos zichtbaar wat we later zo gemakkelijk vergeten: menselijk leven is relationeel en kwetsbaar. Daarom is het begin van het leven een belangrijke metafoor om onze kwetsbaarheid als mens te begrijpen.

 

 

Kwetsbaarheid is relationeel, niet individueel.

 

Het begin van het leven als metafoor van menselijke kwetsbaarheid.

 

De baby toont die oorspronkelijke kwetsbaarheid zonder veel omwegen. Hij kan niet alleen bestaan. Zelfs vóór de geboorte leeft hij in afstemming met het lichaam van de moeder: via bloed, hormonen, voeding, zuurstof, slaap, beweging en stressregulatie. Wat wij “stress” noemen, blijft dan niet netjes in het hoofd van de moeder opgesloten. Het kan zich vertalen in hartritme, spierspanning, immuunreacties, hormonale processen, ontstekingsgevoeligheid. Het lichaam denkt mee, draagt mee, reageert mee. En zo wordt het lichaam van de moeder ook de eerste wereld van het kind.

Maar die relatie is geen eenrichtingsverkeer. Ook de foetus vraagt iets van de moeder. Soms zacht, soms dwingend. Misselijkheid, pijn, slapeloosheid, angst, hormonale ontregeling, onzekerheid over de zwangerschap, het vervreemdende gevoel dat haar lichaam niet meer alleen van haar is: het zijn geen randverschijnselen, maar vormen waarin wederzijdse kwetsbaarheid zich toont. Moeder en kind vormen vanaf het begin een systeem dat tegelijk biologisch, emotioneel en relationeel is. Wat de moeder voelt, draagt, mist of vreest, kan via haar lichaam de wereld van de foetus kleuren. Wat de foetus vraagt, verandert op zijn beurt het ritme, de mogelijkheden en de kwetsbaarheid van de moeder.

En de moeder is nooit alleen maar moeder. Zij is ook dochter, partner, misschien werknemer, vriendin, patiënt, mantelzorger, iemand met een geschiedenis en een lichaam dat al veel gedragen heeft. Rond haar bevinden zich andere systemen: familie, werk, zorg, economie, politiek, ecologie. Die kunnen steun bieden, maar ook druk toevoegen. Ziekte, chronische pijn, infecties, hoge bloeddruk, diabetes, depressie of angst; maar ook armoede, relationele spanning, een onveilige woonomgeving, werkdruk, oorlogsdreiging, alcohol, medicatie, luchtvervuiling, geluidsoverlast of chemische stoffen zoals PFAS: ze beïnvloeden de kwetsbaarheid van moeder en kind. Ze maken zichtbaar dat biologische kwetsbaarheid nooit losstaat van de wereld waarin een lichaam moet leven.

Ook de tijd loopt mee in kwetsbaarheid. We hebben de neiging kwetsbaarheid te zien als iets van een moment. Maar ook kwetsbaarheid leeft tussen verleden en toekomst.

Zwangerschap draagt het verleden mee: aanleg, voorgeschiedenis, stress, alcohol, vervuiling, armoede, steun, veiligheid of onveiligheid. Het begin van een leven is dus nooit een puur individueel begin. Het is altijd een begin dat al begonnen is in anderen. Wanneer we kwetsbaarheid louter in een individu denken, ontkennen we dat mensen ‘in ontwikkeling’ zijn en tijd meedragen. Ook toekomst. Ouders kijken vooruit en vragen zich af: hoe zal het met dit kind gaan, hoe kunnen wij het beschermen, zullen wij er zijn? In die vraag schuilt opnieuw een paradox. Om voor een kind te zorgen, moeten we doen alsof wij beschikbaar en blijvend zijn, terwijl we weten dat ook wij kwetsbaar, eindig en afhankelijk zijn.

 

Moederen onder druk van zelfoptimalisering

 

In deze tijden van versnelling krijgt die kwetsbaarheid van moeders van jonge kinderen een bijzondere lading. De huidige opdracht tot werken aan het Zelf en tot zelfverbetering dringt ook het moederen binnen. Adviezen, waarschuwingen, schema’s en idealen zijn overal beschikbaar: over hechting, voeding, slapen, prikkels, schermtijd, ontwikkeling, emotieregulatie en de eerste duizend dagen. Wat bedoeld is als steun, kan zo ook een nieuwe last worden. Want hoe verfijnder de norm, hoe groter de kans om tekort te schieten. De moeder moet niet alleen zorgen. Zij moet bewust zorgen, responsief zorgen, geïnformeerd zorgen, rustig zorgen, gezond zorgen, preventief zorgen. Zij moet beschikbaar zijn alsof beschikbaarheid een persoonlijke eigenschap is, en geen relationeel en maatschappelijk mogelijk gemaakte toestand.

Ook hier wordt kwetsbaarheid gemakkelijk geïndividualiseerd. De moeder verschijnt dan als iemand die op zichzelf staat: zij moet haar stress reguleren, juist reageren, goed hechten, haar kind stimuleren en tegelijk professioneel, relationeel en lichamelijk blijven functioneren. Soms kijken anderen zo naar haar; soms gaat zij ook zo naar zichzelf kijken.

Maar een moeder van een jong kind bestaat nooit op zichzelf. Jaren niet doorslapen verandert een mens. Een krijsende baby, borstvoedingsproblemen, werkdruk, een lichaam dat nog herstelt, de angst om iets verkeerd te doen: dat zijn geen louter psychologische moeilijkheden. Het zijn biologische, relationele en sociale belastingen. Dan is iemand die werkelijk iets overneemt geen luxe. Het is regulatie. Het is bedding. Het is meedragen wat anders te zwaar wordt voor één lichaam. Mannen kunnen zorgen, pampers verversen en slaapliedjes zingen. Vrienden en vriendinnen, grootouders kunnen taken overnemen en verlichten. Veerkracht is dan een netwerk, kwetsbaarheid is de relatieve afwezigheid ervan. Het individualiseren van kwetsbaarheid en veerkracht verhoogt dan juist de kwetsbaarheid.

Moederschap wordt kwetsbaarder wanneer het voorgesteld wordt als een individueel project van optimalisering. Deze individualisering en maatschappelijke visie kunnen er zelfs toe leiden dat ‘moeders’ het zorgen niet durven doorgeven. Omdat dit dan voelt als falen. Het wordt draaglijker wanneer we het opnieuw zien als een netwerkpraktijk. Moederen gebeurt in een bedding van het netwerk, liefst eerst die van de mede-ouder, grootouders, vrienden en vriendinnen, buren, die mee zorgen voor slaap, tijd, geld, huisvesting, verlofregelingen en zorg. Niet alleen de moeder draagt het kind. Een hele omgeving draagt de moeder-kindrelatie.

 

Kwetsbaarheid als existentieel kenmerk van ons leven.

 

Daaruit komt een bredere gedachte voort. Misschien is onze grootste kwetsbaarheid niet dat er soms iets misloopt, maar dat we leven. Leven betekent: eindig zijn, afhankelijk zijn, beïnvloedbaar zijn, geraakt kunnen worden. Elk van ons is kwetsbaar omdat we leven en omdat het leven eindig is. De biologie speelt daarin haar rol, maar nooit los van de context. Een gevoelig kind, krampjes die niet overgaan, een moeder die uitgeput raakt, ouders die elkaar niet meer vinden, steun of gebrek aan steun in de omgeving: telkens ontstaan circulaire effecten. Kwetsbaarheid zit niet eenvoudig “in” de baby, “in” de moeder of “in” het gezin. Zij ontstaat in het geheel van relaties waarin het leven gedragen wordt, of juist extra belast raakt. Kwetsbaarheid zit ook in het ontkennen van een van de elementen: de individuele biologische variatie, het relationele karakter van kwetsbaarheid en de ontwikkeling doorheen de tijd. Individualisering en tijdloosheid — “ik ben kwetsbaar” — verhogen de kwetsbaarheid.

 

Waarom we kwetsbaarheid onzichtbaar maken

 

Juist omdat die oorspronkelijke kwetsbaarheid zo fundamenteel is, maken we haar vaak onzichtbaar. Niet alleen uit ontkenning. Ook uit noodzaak. We zouden moeilijk kunnen leven als we voortdurend zouden beseffen hoe breekbaar een zwangerschap is, hoe afhankelijk een baby blijft, hoe onzeker ouderschap altijd is, hoe snel lichaam en toekomst kunnen kantelen. Een zekere blindheid beschermt ons. Vergeten, normaliseren en doorgaan zijn soms geen oppervlakkige reacties, maar voorwaarden om te kunnen dragen wat eigenlijk te groot is om helemaal te beseffen. We weten allemaal dat we sterfelijk zijn, maar we geloven het niet. In het dagelijkse leven gedragen we ons niet zo.

Maar die noodzakelijke blindheid kan ook omslaan in maatschappelijke ontkenning. We leven in een cultuur die mensen aanspreekt alsof zij zichzelf volledig kunnen maken: kies wie je wil zijn, ontwikkel je talenten, neem verantwoordelijkheid, wees authentiek, optimaliseer jezelf. Autonomie wordt dan een opdracht, bijna een morele plicht. Dat staat haaks op wat de baby, de moeder en de zwangerschap ons tonen: dat mens-zijn niet begint bij zelfbeschikking, maar bij afhankelijkheid. Niet bij kiezen, maar bij ontvangen. Niet bijsturen, maar bijgedragen worden.

 

Burn-out

 

Burn-out als de eindigheid van de versnelling. (H. Rosa)

 

Een hedendaagse vorm waarin die spanning zichtbaar wordt, is burn-out. Vanuit Hartmut Rosa’s denken over sociale versnelling kunnen we burn-out begrijpen als het gevolg van een wereld waarin niet alleen alles sneller lijkt te gaan, maar waarin ook de voorwaarden om bij te blijven voortdurend verschuiven. Technische versnelling zou ons tijd moeten geven. Sneller communiceren, sneller produceren, sneller verplaatsen, sneller reageren: het klinkt als winst. Maar vaak ontstaat er vooral een nieuwe verwachting. Omdat het sneller kan, moet het sneller. Omdat we bereikbaar zijn, moeten we antwoorden. Omdat verandering normaal is geworden, moeten we ons blijven aanpassen.

Zo verschuift autonomie naar een permanente opdracht tot zelfverbetering. We worden aangesproken alsof we vrij, zelfstandig en zelfsturend zijn, maar tegelijk leven we in velden waarin concurrentie en vergelijking voortdurend aanwezig zijn. Wie stilstaat, valt achteruit. Er is geen duidelijke eindmeet meer. Geen ogenblik waarop men kan zeggen: nu is het genoeg, nu mag ik rusten, nu ben ik af. De norm beweegt mee. Competent zijn betekent voortdurend opnieuw competent worden. Gezond zijn betekent voortdurend aan gezondheid werken. Goed werken betekent voortdurend efficiënter, flexibeler en zichtbaarder worden.

Rosa gebruikt het beeld van een roltrap die naar beneden beweegt: om op dezelfde plaats te blijven, moet je blijven lopen. Misschien is het vandaag nog scherper. We staan niet op één dalende roltrap, maar op vele tegelijk. Op het werk, in het ouderschap, in onze gezondheid, relaties, digitale bereikbaarheid, sociale verwachting en persoonlijke ontwikkeling bewegen de trappen onder ons door. Zelfs wie hard loopt, kan het gevoel hebben achteruit te gaan. Rust wordt dan niet langer herstel, maar risico. Stilstaan wordt verdacht, alsof het leven alleen legitiem is wanneer het vooruitgaat. Tot ons biologische en mentale systeem ons stilzet en ons duidelijk maakt dat we niet eindeloos beschikbaar en verbeterbaar zijn.

 

 

Burn-out en de autonomie paradox.

 

Naast Rosa’s analyse, ernaast en niet ter vervanging, wil ik een tweede perspectief plaatsen: de autonomieparadox. We moeten onszelf kennen, sturen, begrenzen, verbeteren en herstellen. Tijdens de opleiding wordt ieder gewezen op de eigenheid en autonomie van zijn vak, op de noodzaak om creatief te zijn. Eens aan het werk bevinden we ons te vaak in organisaties en maatschappelijke systemen waarin veel voorwaarden van buitenaf of van bovenaf bepaald worden: roosters, targets, protocollen, evaluaties, digitale beschikbaarheid, financiële druk, reorganisaties en verwachtingen van flexibiliteit. Men vraagt ons eigenaar te zijn van ons leven, terwijl de speelruimte, de vrijheid, de autonomieruimte worden ingeperkt. We moeten ons leven zelf vormgeven en ondertussen het protocol volgen. We moeten als leerkracht niet enkel de door anderen, omwille van het maatschappelijk belang, opgelegde inhouden aanbieden; we moeten dat ook doen volgens een opgelegde pedagogie die we ook nog eens moeten bijhouden en noteren. Wees meer jezelf, maar vooral niet. Dat is de autonomieparadox.

Als iemand uitvalt, wordt snel gevraagd wat hij of zij anders had moeten doen: vroeger grenzen aangeven, beter plannen, meer veerkracht ontwikkelen, minder perfectionistisch zijn. Die vragen kunnen zinvol zijn, maar zijn wel exclusief individualistisch. Daarnaast kan deze individualisering verhullen dat iemand al lang probeerde overeind te blijven in een veld dat voortdurend uit balans en innerlijk tegenstrijdig is. Mensen worden verantwoordelijk gemaakt voor het dragen van lasten die niet alleen persoonlijk zijn, maar ook relationeel, organisatorisch en maatschappelijk geproduceerd worden.

 

 

Burn-out kan dan gelezen worden vanuit twee bewegingen die elkaar versterken. Enerzijds is er de versnelling: een wereld zonder rustpunt, waarin we op vele dalende roltrappen tegelijk lopen. Anderzijds is er de autonomieparadox: we moeten onszelf sturen in omstandigheden die onze zelfsturing ondergraven. Op een bepaald moment zegt het lichaam wat de cultuur niet graag hoort. Niemand kan oneindig beschikbaar, flexibel, productief, emotioneel gereguleerd en zelfstandig zijn. Zoals de baby toont dat leven alleen kan ontstaan doordat het gedragen wordt, zo toont de burn-out dat volwassen leven niet kan blijven doorgaan wanneer het dragen wegvalt.

Precies daarom is het te beperkt om kwetsbaarheid alleen individueel te behandelen: als iets waarvoor iemand grenzen moet leren stellen, veerkracht moet ontwikkelen, beter moet plannen of anders moet ademen. Zulke ingrepen kunnen helpend zijn. Ze kunnen zelfs noodzakelijk zijn. Maar ze mogen de context niet onzichtbaar maken. De vraag is niet alleen: wat moet deze persoon veranderen om opnieuw te passen? De vraag is ook: welke omgeving vraagt zoveel van mensen dat zij zichzelf verliezen terwijl ze proberen te blijven functioneren? Hoe kan de omgeving zich vriendelijker opstellen, zodat kwetsbaarheid vermindert in plaats van verhoogt?

 

 

Kwetsbaarheid zichtbaar maken?

 

 

In die zin verbindt de baby ons opnieuw met wat we als volwassenen vaak proberen te vergeten. Kwetsbaarheid is geen afwijking van het menselijke bestaan, maar de grond ervan.

 

Zij wordt zichtbaar in zwangerschap, geboorte, afhankelijkheid en verlies; in ziekte, oorlog, anders-zijn en psychische ontregeling; in burn-out, ouderdom en zorg. Soms verbergen we haar omdat tonen niet veilig is. Soms maakt schaamte ons stil. Soms is vergeten nodig om verder te kunnen. En soms wordt kwetsbaarheid onzichtbaar gemaakt door systemen die versnelling, competitie, meetbaarheid en zelfoptimalisering belangrijker maken dan inbedding, tijd en relationele afstemming.

 

Opmerkelijk is dat we het telkens opnieuw over zichtbaar en onzichtbaar hebben. Alsof wat zichtbaar wordt, werkelijker is dan wat alleen gehoord, vermoed, begrepen of gevoeld wordt. Dat zegt iets over de dominantie van het visuele in onze cultuur. “Ik heb het toch zelf gezien,” zeggen we, en daarmee lijkt de zaak beslecht. Zien heeft bewijskracht. Horen al minder. Begrijpen vraagt geduld. En voelen staat vaak helemaal onderaan de ladder van de waarheid. “Ik heb het gevoeld” klinkt zelden als een argument dat voldoende is. Alsof voelen te subjectief is om waar te mogen zijn. En toch begint juist daar misschien de mogelijkheid om kwetsbaarheid werkelijk te begrijpen: niet door haar alleen zichtbaar te maken, maar door haar voelbaar te laten worden.

Daarin schuilt een paradox. Kwetsbaarheid zichtbaar maken is nodig, omdat wat onzichtbaar blijft te gemakkelijk niet bestaat. Maar kwetsbaarheid zichtbaar maken is ook gevaarlijk, omdat wat zichtbaar wordt, bekeken kan worden zonder gevoeld te worden. Men kan naar kwetsbaarheid kijken zoals men naar een beeld kijkt: registrerend, verklarend, beoordelend, misschien zelfs empathisch ogend, maar toch op afstand. Dan wordt kwetsbaarheid opnieuw kwetsbaar. Vooral als zij in het individu geplaatst wordt. Individu komt van in — niet — en dividere: verdelen. Dat maakt dat kwetsbaarheid plots het geheel dreigt te worden van het immers onverdeelde zelf. Niet doordat kwetsbaarheid verborgen blijft, maar doordat zij getoond wordt zonder ontvangen te worden, wordt zij dieper kwetsbaar.

Misschien zou het doel daarom niet moeten zijn dat kwetsbaarheid altijd zichtbaar wordt, maar dat zij voelbaar mag worden in een omgeving die haar kan dragen. Want pas wanneer we kwetsbaarheid aanvoelen, kunnen we ook begrijpen waarom mensen redenen hebben om haar onzichtbaar te maken. Schaamte, angst voor oordeel, eerdere ervaringen van miskenning, de vrees dat openheid tegen iemand gebruikt wordt: het zijn geen kleine redenen. Het zijn vaak zorgvuldige vormen van zelfbescherming. Wie zegt dat kwetsbaarheid altijd getoond moet worden, miskent de kwetsbaarheid van het tonen zelf.

Daarom vraagt kwetsbaarheid om relatieve veiligheid. Niet om totale veiligheid, want die bestaat niet. Maar wel om voldoende veiligheid: een bedding waarin zichtbaar worden niet onmiddellijk leidt tot vernedering, correctie, diagnose of uitsluiting. Waarin zichtbaar worden van kwetsbaarheid maar een facet is van de persoon, niet het geheel, waarin kwetsbaarheid samengaat met kracht. In zo’n bedding kan getoonde kwetsbaarheid aanleiding worden tot empathie. Niet tot medelijden van bovenaf, maar tot een herkennen van onderaf: ook ik ben breekbaar, ook ik word gedragen, ook ik heb mij soms verborgen om te kunnen blijven bestaan. Dan verbindt kwetsbaarheid zich met kwetsbaarheid. En precies daar kan draagkracht ontstaan, niet als individuele prestatie, maar als iets dat tussen mensen groeit.

Het gaat er dus niet om kwetsbaarheid overal en altijd te tonen. Ook verbergen, wachten en doseren kunnen vormen van wijsheid zijn. Kwetsbaarheid tonen zonder veilige context kan zelf een nieuwe kwetsbaarheid worden. De vraag is eerder of er plaatsen zijn waar kwetsbaarheid niet onmiddellijk wordt herleid tot zwakte, storing, diagnose of falen. Plaatsen waar zij kan verschijnen als wat zij ten diepste is: het teken dat wij leven. Relationeel. Fragiel. Eindig. Afhankelijk. En juist daardoor in staat om gedragen te worden en anderen te dragen.

 

 

 

 

 

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
Featured Posts
Kom later terug
Gepubliceerde posts zullen hier worden weergegeven.
Archive
Follow Me
  • Grey Facebook Icon
  • Grey Twitter Icon
bottom of page